logo
banner

home
curriculum vitae
interesses
vraag en antwoord
contact
 
Bezoekers
684326
Boekbespreking

Na mijn pensionering ben ik veel meer boeken gaan lezen dan tijdens mijn werkzame leven. Toen lag het accent op studieboeken. Die kwamen uiteraard ook op tafel tijdens mijn studie Rechten. Nu die voltooid is, is er meer tijd voor het lezen van boeken. Op deze site plaats ik een recensie van elk door mij gelezen boek.


boekbespreking  ‘Breek het partijkartel’ door Thierry Baudet: niet echt overtuigend! 03-03-2019

Floor Rusman van NRC schreef over dit boek het volgende.
Precies tijdens de inauguratie van Donald Trump, in januari 2017, presenteerde Thierry Baudet Breek het partijkartel!, zijn nieuwe boek. De leider van Forum voor Democratie zegt hierin, net als de Amerikaanse president, dat de stem van het volk weer gehoord moet worden. Een groot deel van de kiezers heeft namelijk andere ideeën over immigratie en Europa dan de gevestigde partijen, aldus Baudet.

„Het politieke systeem in Nederland verkeert in een existentiële crisis”, schrijft Baudet in het eerste hoofdstuk. De symptomen van de crisis, aldus de rechtsfilosoof: afnemend politiek vertrouwen en zwevende kiezers. De oorzaak: de gevestigde politieke partijen, die onderling bestuurlijke banen verdelen („een baantjescarrousel”) en de wil van de kiezers negeren.

Dit „partijkartel” moet worden opengebroken met referenda naar Zwitsers voorbeeld, waarbij burgers zelf een wetsvoorstel kunnen initiëren. Baudet ziet daarbij geen grenzen. Mocht een voorstel strijden met de Grondwet, dan „kan dat worden gezien als aansporing of opdracht voor de wetgevende macht om een wet aan te nemen die de Grondwet op dit punt wijzigt”.

De auteur blikt ook terug op het Oekraïnereferendum. Dit hoofdstuk staat vol kleurrijke details: zo was hij op de dag van het referendum „toiletgebonden” wegens een voedselvergiftiging en „een liberale alcoholconsumptie de avond ervoor”. Opvallend is dat hij schrijft te hopen dat de introductie van meer referenda ertoe zal leiden dat het debat minder over „de poppetjes” gaat. Naar Baudets smaak ging er in de campagne voor het Oekraïnereferendum te veel aandacht uit naar personen.

Het eerste exemplaar van zijn nieuwe boek gaf Baudet aan rechtsfilosoof en partijgenoot Paul Cliteur. Die prees hem om zijn veelzijdigheid: Baudet publiceerde negen boeken, van zijn proefschrift over natiestaten tot een – in de woorden van Cliteur „beklemmende” – erotische roman.

Persoonlijke noot. Ik geloof Thierry Baudet wel als hij zegt dat de meeste mensen in Nederland andere ideeën over immigratie hebben dan de gevestigde partijen. Voor invoering van referenda verwijst Baudet naar Zwitserland en naar de staat Californië in de VS. Daar schijnt over bijna alles een referendum te worden gehouden. Baudet schrijft dat de lezer geen verband moet leggen met de deplorabele staat waarin Californië financieel verkeert. Als lezer doe ik dat uiteraard wel; zeker tegen de achtergrond van de hoge kosten die met een referendum gepaard gaan. Ik hoop dat de heer Baudet wel kan rekenen!

boekbespreking  ‘Vrede en oorlog’ van Jonathan Holslag: buitengewoon leerzaam! 11-02-2019

Jonathan Holslag (37 jr.) is als docent internationale politiek verbonden aan de Vrije Universiteit te Brussel (VUB). Hij promoveerde in 2011 aan de VUB op het proefschrift (Nederlandse vertaling): ‘Een onderzoek naar de limieten van de economische en militaire macht van China’. Hij treedt regelmatig in Nederland op ( o.a. in het tv-programma ‘Buitenhof” en op BNR/smartradio). Een aardige recensie van het boek vond ik op www.boekenstrijd.nl. Die luidt:

Historici deinzen de laatste tijd niet terug voor de grote greep. En dat levert fraaie resultaten op. Denk bijvoorbeeld aan Harari of Scheidler. De Belgische historicus Jonathan Holslag houdt zich ook niet bezig met een klein voorval of een detailstudie. Hij beschrijft maar liefst 3000 jaar politieke geschiedenis in zijn boek Vrede en oorlog. Het is een ambitieus, maar ook toegankelijk werk geworden met een zeer brede insteek.

Een belangrijke bijrol is weggelegd in deze geschiedenis voor het weer, het klimaat, of het milieu in bredere zin. Koude en droogte zorgden voor crises en schaarste en gaven vaak genoeg de impuls tot nieuwe expedities. Een paar koude zomers of de krijgers in de steppen sprongen op hun paarden om een gigantisch rijk te veroveren.

Er komen tal van heersers in dit boek voor, met fraaie titels: koning der koningen, universele leider, beter bekend als Djengiz Khan, de illustere oftewel Augustus. De een wist nog zekerder dan de ander dat zijn heerschappij van God gegeven was. Maar het lot van de gewone mensen krijgt ook aandacht, vooral in hun lijden. Gedichten en citaten van ooggetuigen scheppen wat lucht in de over elkaar buitelende dynastieën en heersers.

Holslag bezingt het nut van geschiedenis in lyrische termen en stelt die tegenover ideologieën. De geschiedenis komt hier inderdaad als relativerende kracht naar voren. Enerzijds door de opkomst en het verval van al die rijken en staten. ‘Gebruik geschiedenis als een spiegel om zo na te gaan hoe de opkomst en van een dynastie in zijn werk gaat,’ zo citeert Holslag de Chinese heerser Taizong.

En ten tweede door de loop van omstandigheden. Wat als de Mongolen in de dertiende eeuw wel waren doorgetrokken naar West-Europa? Of als de Chinezen hun maritieme ambities niet hadden opgegeven? De geschiedenis had op zoveel manieren anders kunnen lopen. En ten derde maakt het verloop van tijd zelf de zaken anders. De barbaarse invallers van gisteren zijn de burgers van morgen. Maar de belangrijkste les van de geschiedenis lijkt paradoxaal genoeg dat mensen niet van de geschiedenis leren: ze vervallen steeds in hetzelfde patroon. Het boek van Holslag heet Vrede en oorlog(in de Nederlandse vertaling, het Engelstalige origineel heet A political history of the world). Maar de vrede komt er toch iets minder goed vanaf dan de oorlog. Aristoteles wordt geciteerd: We voeren oorlog om vrede te hebben. Vrede was vaak het doel dat heersers dachten te bereiken door nog een oorlog te voeren. En dan nog een.

Een weg naar de eeuwige vrede ziet Holslag niet. Een recept daarvoor vrede, zoals zijn landgenoten David van Reybrouck en Thomas D’Ansembourg gaven in hun boekje Vrede kun je leren, levert hij niet. De toenemende verwevenheid van de wereld via handel en andere kanalen leidt niet vanzelf tot vreedzaam samenleven. Er zijn vele diplomaten, maar dat heeft oorlog ‘nooit’ weten te voorkomen, stelt hij. Is dat niet wat te rigide? Hoe was de Cuba-crisis afgelopen zonder diplomatie?

Steven Pinker beschreef in Ons betere ik hoe volgens hem oorlogen minder voorkomen. Volgens Pinker neemt het aantal slachtoffers van oorlog gestaag af. Holslag lijkt daar heel anders over te denken, al gaat hij niet rechtstreeks in debat met Pinker. Alle mogendheden zijn even wreed en de Verenigde Staten maakten net zo goed gebruik van hun macht als allerlei beruchte voorgangers dat deden.

Waar Pinker zich toelegt op statistiek en op zoek gaat naar allerlei langdurige ontwikkelingen en processen domineert bij Holslag het verhaal en de continuïteit. In het meest recente deel kan je je afvragen of hij er genoeg oog voor heeft dat sinds de Tweede Wereldoorlog (nu toch zeventig jaar geleden) een rechtstreekse, militaire confrontatie tussen supermachten is uitgebleven. Tot nu toe, zeg ik daar achter aan, maar toch. Of het zo blijft? De voortekenen zijn zeker niet allemaal gunstig. In een eerder boek heeft Holslag zich somber uitgelaten over de kans op een confrontatie van China met de VS of andere landen.

En daar zijn structurele redenen voor. Het veiligheidsdilemma steekt steeds weer zijn kop op. Als een land zijn defensie versterkt, ziet de ander dat als een bedreiging. Waarop dat land zijn defensie zal versterken. Nog een dilemma: economisch succes leidt tot macht, en macht leidt bij andere staten tot angst. Economisch falen leidt tot zwakte en dat is ook niet gunstig.

Het bescheiden recept van Holslag is nederigheid en gevoeligheid. Nederigheid ten aanzien van de idealen en gevoeligheid voor zowel de steun in het eigen land als voor de gevoeligheden van de andere partij. Maar is die nederigheid niet toegenomen? Wie durft zich nog als ‘universele leider’ te betitelen? Of komt dat ook weer terug, bijvoorbeeld in de cultus rond Xi Jinping?

Dit is een heerlijk pessimistisch boek, waarin vooruitgang niet alleen maar een opgaande lijn is, maar vaak zijn eigen prijs heeft. Machtspolitiek heeft mede dankzij technologische vooruitgang in de twintigste eeuw nieuwe extremen bereikt. En voor deze eeuw zijn er geen garanties. De blik vanuit 3000 jaar geschiedenis is een mooi tegenwicht tegen het modieuze idee dat ‘wij’ zoveel anders dan onze voorouders. De recidivekans blijft groot, dat is de waarschuwing.

Persoonlijke noot. De recensent noemt het boek: “heerlijk pessimistisch”. Ik ben zelf van mening dat Holslag feiten en omstandigheden beschrijft, maar het aan de lezer overlaat welke conclusies hij/zij over de toekomst van vrede en oorlog zou moeten trekken. Er zitten wetmatigheden in de kwestie vrede/overleg. Holslag wijst erop dat China tijdens de door hem beschreven 3000 jaren 1100 jaren van oorlog en 1900 jaren van vrede heeft gekend. Hopelijk leven wij in een lange periode van vrede…….

boekbespreking  ‘Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon.’ van Beatrice de Graaf: recht gedaan aan historie! 05-02-2019

Dit boek kreeg ik voor mijn verjaardag van dochter Inge en haar partner Jeroen. Het is inderdaad zeer lezenswaardig. Ik koos voor de wat kritische recensie van Rob Hartmans in NRC. Die volgt hierna, waarna ik aan het eind in mijn persoonlijk eind toch wat doorschuif naar de ‘zonnige’ kant van de schrijfster. Hier volgt de recensie van Hartmans.

Hoewel de Franse Revolutie een buitengewoon bloedige affaire was – waarbij niet alleen aristocraten maar ook priesters en arme katholieke boeren bij bosjes werden vermoord – en Napoleon vervolgens een dictatuur vestigde en Europa in een reeks oorlogen stortte die miljoenen mensen het leven kostte, heeft de periode die hierop volgde een veel slechtere naam. De Restauratie, zoals de decennia na 1815 vaak worden aangeduid, zou een buitengewoon naargeestige periode zijn geweest, waarin de oude gezagsverhoudingen weer waren hersteld en elk streven naar vrijheid en democratie hardhandig de kop werd ingedrukt. Met behulp van het spookbeeld van revolutie en terreur wisten machthebbers als de Oostenrijkse kanselier Metternich, tsaar Alexander I, de Engelse hertog van Wellington en de Franse premier Richelieu alle vernieuwing tegen te houden.

Dit is de teneur van De fantoomterreur. Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid, 1789-1848 (2015) van bestsellerauteur Adam Zamoyski. Hierin wordt een heel nummer gemaakt van de politieke repressie, de vele verklikkers en spionnen, de censuur en andere kwalijke zaken die kenmerkend zouden zijn voor de Restauratie. Dat de toenmalige machthebbers redenen hadden om op hun hoede te zijn, dat ze er terecht weinig voor voelden om opnieuw bloedbaden als de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen mee te maken, is iets waar Zamoyski geen oog voor had. De Russische tsaar, Metternich, Wellington en anderen waren tegen de democratie, dus deugden ze niet en was hun streven naar orde en veiligheid absoluut niet pluis.

In Tegen de terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon wijst Beatrice de Graaf er terecht op dat dit een onhistorische benadering is. Niet alleen beoordeel je het verleden met een maatstaf die aan het heden is ontleend, maar bovendien vergeet je in welke chaos en ellende Napoleon dit continent in 1815 had achtergelaten. Het belangrijkste is echter, dat je hierdoor blind bent voor het unieke karakter van deze periode en niet ziet dat er toen een opmerkelijke prestatie werd geleverd.

In tegenstelling tot wat Napoleon had verwacht, dat Europa na zijn val zou ‘verschrompelen’ tot een onmachtig continent dat verlamd werd door onderlinge rivaliteit en kinnesinne, wisten de overwinnaars van 1815 de animositeit te overwinnen en samen te werken. Dit leidde niet alleen tot vreedzame co-existentie van de Europese mogendheden, maar ook tot stabiliteit in de verschillende landen – om te beginnen in het door de geallieerden bezette Frankrijk. De Geallieerde Raad die werd opgericht bracht na het tumult van revolutie en oorlog met behulp van in een Pruisen ontwikkelde bureaucratie weer rust in dit land. Tegelijkertijd werd er een permanent internationaal overleg geïnstitutionaliseerd, dat ervoor zorgde dat onderlinge spanningen tussen de verschillende staten werden gekanaliseerd en gedempt. De Graaf noemt dit een ‘eerste experiment van gezamenlijk en geïnstitutionaliseerd veiligheidsmanagement’, dat ‘de basis legde voor het latere Europese systeem van collectieve veiligheid zoals we dat vandaag nog kennen’.

Dit wilde niet zeggen dat er vanaf dat moment sprake was van een rechte, opgaande lijn, want deze internationale samenwerking verwaterde spoedig. Ook maakt De Graaf duidelijk dat de grote mogendheden – naast Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland werd ook Frankrijk weer snel toegelaten tot de eredivisie – vooral gevestigde belangen verdedigden. Democratische ontwikkelingen werden afgeremd, het handhaven van een hiërarchische samenleving en de bestaande bezitsverhoudingen stond voorop, en aan hun overwinning op Napoleon ontleenden ze een superioriteitsgevoel dat hen schijnbaar het recht gaf andere landen de les te lezen en onder de duim te houden. Dit laatste uitte zich onder meer in het imperialisme, dat vooral na 1815 sterk opkwam.

Expansie en verovering waren prima, maar dan wel buiten Europa. Daarbinnen stonden stabiliteit en saamhorigheid voorop. Er werd gesproken van ‘het concert van Europa’, wat harmonie en het vermijden van uitbarstingen en dissonanten impliceerde. In het internationale verkeer ging het om moderatie en overleg, terwijl binnen de samenleving fatsoen, moraal en orde centraal stonden. Toch betekende dit allesbehalve een terugkeer naar het ancien régime, aangezien er zowel in de internationale betrekkingen als in het landsbestuur sprake was van een vergaande modernisering. Hoewel de conservatieve agenda onmiskenbaar was, leefde bij de Europese machthebbers heel sterk het besef dat ze wel met hun tijd moesten meegaan en dat vasthouden aan oude vormen van bestuur en diplomatie onmogelijk was.

Volgens De Graaf waren de overwinnaars van 1815 hun tijd vooruit, omdat ze doordrongen waren van het belang van Europese samenwerking. Een idee dat met de opkomst van het nationalisme en de verheerlijking van de natiestaat al spoedig op de achtergrond raakte, waardoor in de tweede helft van de negentiende eeuw de internationale rivaliteit sterk toenam.

Dit is een vrij overtuigend verhaal, al ontkom je niet aan de indruk dat ook De Graaf deze periode toch ook sterk bekijkt door een bril die is geslepen door hedendaagse preoccupaties, in haar geval terrorisme en terrorismebestrijding. Er speelden in die jaren echter ook veel andere kwesties een rol. En waar Zamoyski het gefnuikte streven naar vrijheid en democratie wat al te veel benadrukte, verdwijnt dit bij De Graaf vrijwel geheel uit beeld. Waar Zamoyski de donkere wolken boven Europa te sterk aanzet, schijnt bij haar de zon soms iets te uitbundig.

Wellicht wordt dit ten dele veroorzaakt doordat ze zich in dit boek bezighoudt met een ander tijdvak dan in haar eerdere werk. Hoewel ze grondig onderzoek heeft gedaan naar haar eigenlijk onderwerp, zijn haar opmerkingen over de context soms iets minder trefzeker. Zo wordt in verband met de aanslag op Wellington, in februari 1818, een zekere Louis Joseph Stanislas Marinet ten tonele gevoerd, die ter dood zou zijn veroordeeld omdat hij tijdens de Honderd Dagen – de periode tussen Napeleons ontsnapping van Elba en de Slag bij Waterloo – als advocaat was blijven werken. Dat lijkt vreemd, omdat er dan waarschijnlijk wel heel veel advocaten ter dood zouden zijn veroordeeld. Martinet was echter auditeur bij de Raad van State, en aangezien die min of meer fungeerde als het kabinet van Napoleon, was hij wel iets meer dan zomaar een jurist. Het is een slordigheid, maar samen met de gebrekkige eindredactie van de uitgever doet dit wel enige afbreuk aan een interessant en waardevol boek.

De verdienste van De Graaf is naar mijn mening dat zij erop wijst en ook aantoont dat de geallieerden na het tijdperk-Napoleon de Franse staat niet wilden straffen. Er moesten wel herstelbetalingen volgen, maar in redelijke proporties. We hebben kunnen zien dat Duitsland na de Eerste Wereldoorlog wel werd gestraft met zeer forse herstelbetalingen. Dat is een van de oorzaken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog geweest. Het ‘Concert van Europa’ was een geslaagde poging van de toenmalige geallieerden om te streven naar een langdurige vrede in Europa. De Graaf heeft met het schrijven van dit boek naar mening de historie recht gedaan! ‘

boekbespreking  ‘De hemel verslinden’ van Paolo Giordano: lees je in één adem uit! 03-02-2019

Dit boek kreeg ik van zoon Floris en zijn vrouw Agnese voor mijn verjaardag. Agnese is in de laars van Italië geboren (Calabrië). Grappig is dat het verhaal van het boek zich geheel in die laars afspeelt. Ooit had ik “De eenzaamheid van priemgetallen’ aangeschaft, maar was er nooit toe gekomen het boek te lezen. Ik heb nu beide boeken gelezen. Ik plaats geen recensie van ‘De eenzaamheid van priemgetallen’, daar dit boek al in 2008 uitkwam. Ik vond in ‘Trouw’ een recensie van Ronald de Rooy, die mij aansprak. Die volgt hieronder.

In 2008 werd Paolo Giordano (1982) met het overrompelende ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ de jongste winnaar ooit van de vooraanstaande literatuurprijs Premio Strega. Na een schitterende tweede roman over een peloton Italiaanse soldaten in Afghanistan (‘Het menselijk lichaam’), bleef het lange tijd stil, op een mooie psychologische novelle na.

Tien jaar na zijn debuut keert Giordano met ‘De hemel verslinden’ terug naar de wereld van pubers en adolescenten waarmee hij in zijn eerste roman furore maakte. Al zijn personages zijn complex en op een bepaalde manier gebroken.

Groot verschil ten opzichte van de in zichzelf gekeerde Mattia en Alice uit ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ is dat Giordano nu de andere kant van adolescentie vertelt, de mysterieuze aantrekkingskracht van onstuimige vitaliteit, ongeremde idealen en vrijheidsgeest.

De beschermd opgegroeide Turijnse Teresa heeft via haar vader wortels in een dorpje in Apulië, helemaal in de hak van de Italiaanse laars. Samen met haar vader en oma brengt Teresa de zomers vaak door in dat diepe Zuiden.

Het contrast tussen noord en zuid is overal voelbaar. Teresa’s vader ondergaat ’s zomers een metamorfose: “Soms vroeg ik me af wie hij echt was: de ingenieur die in Turijn altijd een pak en een das droeg, of die man met zijn onverzorgde baard die halfnaakt door het huis liep. Hoe het ook zij, mijn moeder had er ontegenzeggelijk voor gekozen om met een van de twee te trouwen: van die andere moest ze niets hebben.”

Excentrieker nog dan het exotische Apulië is de boerderij een stukje verderop. Daar wonen Cesare en Floriana met hun drie ‘zoons’. Alleen de oudste, Nicola, is hun biologisch kind. Bern is de zoon die Cesare’s zus op haar vijftiende kreeg, Tommaso is geadopteerd.

Samen vormen ze een religieuze commune. De kinderen krijgen thuis les, er heerst een heilig geloof in reïncarnatie en ontzag voor ieder levend wezen. Het kleinste insect begraven ze met rituele eerbied.

Op een nacht bespiedt Teresa de drie jongens van de boerderij die zich in het zwembad vermaken. Van dit drietal wordt Bern (kort voor Bernardo) met zijn ‘gitzwarte ogen die vrij dicht bij elkaar stonden’ het middelpunt, maar ook het mysterie van dit boek.

Teresa valt meteen voor hem en na een eerste zomer van schuchtere verliefdheid volgt de zomer van hun ongebreidelde, allesoverheersende passie. Het jaar erna is Bern opeens verdwenen en later verlaten ook Cesare en Floriana hun erf.

Er zijn geruchten van een meisje dat zwanger zou zijn van Bern, maar voorlopig moet Teresa het doen met: “Zij zijn anders. Ze hebben te korte wortels. Vroeg of laat rukt een windvlaag ze uit de grond en dan waaien ze weg.” Bern, die later weer zal opduiken, groeit uit tot het mysterie van het boek, degene die het meest onder je huid gaat zitten. Zijn charisma, vitaliteit, charme, maar ook zijn egoïsme, ongrijpbaarheid en onverschilligheid laten je niet met rust.

Zijn persoonlijkheid neigt naar uitersten, radicale keuzes, volledige vrijheid en een zo natuurlijk mogelijk leven. Al vroeg komt hij in opstand tegen Cesare (‘God is gewoon een verzinsel. Alleen wie leeft, heeft gelijk’), vat het plan op om alle boeken van de bibliotheek te lezen, om te leven in bomen zoals Calvino’s ‘Baron in de bomen’, om alle olijfbomen van Apulië te redden.

Hij verschijnt en verdwijnt, verschijnt en verdwijnt weer. Teresa blijft met hem bezig, net als de lezer. Net als de bijbelse Kaïn is het Berns lot om ‘dolend en dwalend over de aarde’ te gaan. ‘Caina’ heet de ijsvloer in Dante’s hel waarin verraders van familieleden zitten vastgevroren, een impliciete verwijzing die voor de ontknoping van deze roman zeker betekenisvol lijkt.

Net als in zijn grote doorbraak van tien jaar geleden slaagt Giordano er in om zijn lezer diep te raken. Omdat ‘De hemel verslinden’ ingewikkelder is qua structuur, verhaallijnen en culturele verwijzingen is deze roman misschien niet zo overrompelend en overweldigend als dat verre debuut, maar het is zeker een meer dan waardige opvolger.

Persoonlijk vond ik de relatie tussen Teresa en Bern heel bijzonder. Ze hielden zielsveel van elkaar, maar konden toch niet echt samenleven. Het boek schetst een zodanige sfeer, dat je het in één adem uitleest….

boekbespreking  ‘Kroongetuige’ van Marco Kroon: spannend verhaal! 29-01-2019

Tijdens mijn vakantie las ik dit boek als eerste. Ik had het voor mijn verjaardag van zoon Jeroen gekregen. Daar het verhaal erg spannend was had ik het al uit voordat ik in Jomtien Beach, Thailand, arriveerde. Mij sprak het meest aan de recensie van Karel Berkhout in NRC:

De titel Kroongetuige klinkt als een wat gezochte woordspeling, maar blijkt na lezing van het bijbehorende boek welgekozen. Want het verhaal van Marco Kroon is dat van een man die vergroeid lijkt met zijn rol van toegewijd soldaat, maar zich daarmee geen raad meer weet na een verschrikkelijke ervaring in Afghanistan. En die dit heel emotioneel vertelt, maar tegelijkertijd de ineenstorting van de hoofdpersoon afstandelijk observeert – als een getuige.

De oorlogsheld Marco Kroon, die de hoogste militaire onderscheiding kreeg, deed veel stof opwaaien met een bekentenis over zijn tijd in Afghanistan. Hij had daar in 2007 een man gedood maar had dit nooit gemeld om de missie niet in gevaar te brengen. Wat er precies was gebeurd, bleef voer voor speculatie. Nu vertelt Kroon wat er volgens hem is gebeurd in een huiveringwekkend verslag dat ook als rechtvaardiging lijkt bedoeld.

Kroon werd in Kabul bij een checkpoint aangehouden door Afghaanse milities, omdat hij zonder het te weten in een gestolen huurauto reed. Hij werd meegenomen voor verhoor, zwaar mishandeld en verkracht door een groep mannen, die hem uiteindelijk vrijlieten. Veel later doodde Kroon de aanvoerder, een man met een soort „bloedzuiger bij zijn oor”.

In het verslag ontbreken exacte gegevens over tijdstippen, namen en locaties, omdat die als geheime operationele informatie worden beschouwd. Het voorwoord meldt verder nogal dubbelzinnig: „De gebeurtenissen en dialogen in dit boek zijn gebaseerd op feiten, maar beschreven vanuit herinneringen, gevoelens en interpretaties.” Vooral dat laatste woord roept vragen op voor de toedracht van de gebeurtenissen.

Het boek geeft geen definitief uitsluitsel in twee kwesties die eerder centraal zijn komen te staan. Namelijk, hoe kon Kroon tijdens de missie vele uren onopgemerkt uit beeld verdwijnen? En onder wat voor omstandigheden doodde Kroon de man?

Kroon vertelt dat het niet ongebruikelijk was om een tijdje geen contact te hebben met de basis. „Maar dat gebeurt eerlijk gezegd wel vaker de laatste tijd. Sterker nog: door allerlei verklaarbare omstandigheden is dat nu meer regel dan uitzondering.” Als Kroon later meldt geen bereik te hebben gehad, zegt zijn meerdere: „Dit moet niet al te vaak gaan voorkomen, mannen.” Dat is alles.

Aan het doden van de „man met de leren jas” maakt Kroon veel meer woorden vuil. Het opsporen en schaduwen van de man is het leitmotiv in de tweede helft van het boek. Vervuld van haat wil Kroon de man ontvoeren en uitleveren aan het gerecht. Maar als de man hem bij een checkpoint ziet, grijpt die naar zijn vuurwapen, en schiet Kroon hem dood. Kroon beschrijft het doden het als een soort roes, zonder veel details.

Het gebrek aan exactheid wordt gecompenseerd door een overdaad aan details. Zo ziet Kroon een „wit, plastic zakje op de grond” naast de kwelgeest, die hij zojuist heeft doodgeschoten. En in de ruimte waar Kroon is verkracht, ontwaart hij eerder „lege flesjes en blikjes, papiertjes, tissues, stukken touw, kapotte tie-wraps, bladeren, hoopjes uitgespuugd kauwsel.”

Die details geven het boek het karakter van een film en dat versterkt weer de indruk van Kroon als de man-in-een-rol. Hij presenteert zich niet alleen als de man-van-actie, maar ook als de kleinzoon van een Brit die Nederland bevrijdde en als opvolger van oorlogsheld Erik Hazelhoff Roelfzema, van wie een citaat is opgenomen.

Maar dan breekt de rol en is daar de ‘getuige’ Kroon, die vaststelt dat hij tijdens de verkrachting niets heeft aan de trainingen: „Controlled release, conduct after capture... Theoretische woorden en benamingen.” En die zo eerlijk is om te zeggen dat de soldaat Kroon later ook niets heeft gemeld, omdat hij zich zo schaamt voor wat hem is overkomen. Schaamte voor zijn eigen machteloosheid, uitgedrukt in de kwellende vraag: „Waarom doe ik niets?” Omdat-ie niets kon, behalve achteraf flauwe grappen maken en aanhoren.

Die grappen van zijn kameraden gaan veelal over anale verkrachting en zijn tekenend voor de machocultuur die Kroon ineens veel moeilijker kan verdragen. Die cultuur past bij de zinnen van Kroon, die hij zelf omschrijft als „soms plat, hard en rauw”. Kroon smijt tientallen keren met het woord ‘klootzak’ (opperklootzak, alfaklootzak, KLOOTZAKKEN).

In deze gespierde taal koelt Kroon zijn woede op de mannen die hem vernederden. Kroongetuige leest daardoor als een afrekening. Met zijn kwelgeesten in Afghanistan én met degenen die in Nederland zijn verhaal in twijfel durfden te trekken.

Persoonlijk ben ik niet zo gecharmeerd van het gedrag van Marco Kroon, maar ik ben na het lezen van het boek geneigd zijn verhaal te geloven. Bovendien prijs ik hem om de wijze waarop hij het verhaal heeft opgeschreven: het boeit zo dat je het als het ware in één adem uitleest.


archief Archief archief